Debat

Vanuit de wereld der ontwikkelingswerkers is boos gereageerd op de promotie van Wiet Janssen, ze waren het hevig met hem oneens. De Universiteit Twente zag daarin echter geen belemmeringen en liet Janssen gewoon promoveren. De promovendus zelf beloofde een taart aan ieder die met steekhoudende kritiek zou komen.

De Nijmeegse hoogleraar Paul Hoebink pakte die handschoen op en somt hier zijn bezwaren op tegen het proefschrift. Janssen ziet daarin geen aanleiding om naar de banketbakker te gaan (zie hier).

De complete promotie van Janssen staat overigens hier.

Hier is de website van Wiet Janssen

Hier staat een printvriendelijke versie van het verhaal hiernaast (32 pagina’s a4).

———————————————————————————————————

VIII Armoede betekent dat de armen de vaardigheden missen om goederen en diensten te produceren. De hulp moet er op gericht zijn

De huidige ontwikkelingshulp, die vaak zinloos en zelfs schadelijk blijkt, moet worden beëindigd. Mensen opleiden tot kleine ondernemers kan wél een belangrijke bijdrage aan de armoedevermindering leveren. Ook mensen opleiden tot een vak dat hen kansen biedt binnen modernere bedrijven is een belangrijk aspect binnen de ontwikkelingshulp. Te beginnen in het lager onderwijs.

Deze conclusie volgt uit de verschillende facetten van het onderzoek die in de vorige hoofdstukken uit de doeken zijn gedaan. Armoede betekent gebrek op allerlei manieren: weinig inkomen, een korte levensverwachting, nauwelijks opleiding, en geen toegang tot goede gezondheidszorg en veilig drinkwater. Ook ontbreekt het de ontwikkelingslanden aan een goede infrastructuur, democratie, gelijke rechten voor vrouwen en goed bestuur. De hulp is er op gericht alles wat ontbreekt te realiseren. Maar in de vorige hoofdstukken is aangetoond dat dat niet lukt. De hulp maakt het zelfs vaak nog erger. Er is dus een fundamenteel andere aanpak nodig.

Op welke wijze kan de ontwikkelingshulp worden ingezet om de armoede wél te verminderen? Waarom bepaalde delen van de wereld wel ontwikkelen en andere niet, komt vooral door het verschil in sociaal kapitaal (hoofdstuk 5). Maar sociaal kapitaal is het resultaat van eeuwenlange processen, het kan niet even snel worden gecreëerd door ontwikkelingshulp. De vraag is: op welke wijze kan de ontwikkelingshulp worden ingezet om de armoede wél te verminderen?

De hulp zou zich er op moeten richten om mensen te helpen zelf een inkomen te verdienen. De sleutel is kennis en vaardigheden. Ook in de minst ontwikkelde landen zijn er altijd mensen, ook van arme afkomst, die hun vak verstaan en een product of dienst aanbieden waar een ander goed voor wil betalen. Die kleine (vaak éénmans-) ondernemers zijn altijd in staat een behoorlijk inkomen te verdienen. Het type product of dienst maakt niet uit. Belangrijk is:

* dat er voldoende vraag naar is,

* dat de klanten er een prijs voor willen betalen die voldoende boven de kostprijs ligt, zodat de leverancier er genoeg aan verdient,

· dat de ondernemer het op een efficiënte manier kan produceren zodat de kostprijs niet te hoog is en hij concurreren kan met andere leveranciers,

· dat de kwaliteit voldoet aan de verwachtingen van de klant, en dat hij de klanten weet te vinden en ze weet te overtuigen om zijn producten of diensten af te nemen. Een ondernemer moet dus verschillende kwaliteiten hebben.

Voor mensen die in loondienst werken is vooral het vakmanschap van belang. Maar in stagnerende ontwikkelingslanden, zoals de meeste Afrikaanse landen, is er vrijwel geen werk voor mensen met basale vakkennis, en de lonen zijn er laag. Voor de meeste mensen biedt ‘voor zichzelf beginnen’ dus de beste kans om uit de armoede te ontsnappen. Zo iemand moet over verschillende vaardigheden beschikken om met succes te kunnen ondernemen. Een timmerman die tafels maakt moet niet alleen de houtbewerking beheersen, maar hij moet ook kunnen inschatten of hij genoeg tafels kan verkopen om er van te leven, hij moet in staat zijn de tafels op een efficiënte manier te maken (bijvoorbeeld door in één keer tien dezelfde te maken, of door een elektrische zaag te gebruiken), hij moet nagaan wat zijn klanten bereid zijn voor een tafel te betalen, hij moet zijn kostprijs kunnen schatten (materiaal, afschrijving van zijn gereedschap, zijn uren), hij moet weten wat de klanten van een tafel verwachten (afmetingen, gladheid, vorm, soort hout, laadjes) en aan die verwachtingen kunnen voldoen, en hij moet reclame maken en goed kunnen uitleggen waarom de klant zijn tafel moet kopen in plaats van een andere. Voor mensen die niet over ondernemerskwaliteiten beschikken bieden grotere, meer moderne bedrijven, zoals vestigingen van buitenlandse ondernemingen, een kans. Deze bedrijven zitten vaak te springen om vaklieden, en ze betalen relatief hoge lonen. Mensen die beschikken over vaardigheden waar moderne bedrijven graag voor willen betalen kunnen een goed inkomen verdienen, bijvoorbeeld goede lassers.

Mensen opleiden tot kleine ondernemers of tot vaklieden waar modernere ondernemingen behoefte aan hebben, kan dus een belangrijke bijdrage aan de armoedevermindering leveren. De ontwikkelingshulp kan hier een bijdrage aan leveren. Op beperkte schaal gebeurt dat ook wel, de Nederlandse hulp ondersteunt ook hier en daar beroepsonderwijs. De hulporganisaties van andere landen, bijvoorbeeld de Duitse GTZ, doen wat meer op dit gebied (GTZ 2009).

Vakkennis in het basisonderwijs
Het is wel van belang al binnen het lager onderwijs te beginnen met de overdracht van praktische kennis en vaardigheden. Veel kinderen haken na het lager onderwijs af en missen daardoor de boot. Beroepsonderwijs wordt nu alleen gegeven als vervolgonderwijs, dus na afronding van de lagere school. Kinderen uit arme gezinnen volgen gewoonlijk slechts een paar jaar lagere school en krijgen daarna geen ander onderwijs meer. Ze gaan dan werken om zo mee te helpen het gezinsinkomen te verdienen. De enige oplossing is de vakkennis en -kunde en ook de beginselen van het ondernemen al in het lagere school programma te onderwijzen. Het is geen groot bezwaar als dat ten koste gaat van lezen en schrijven, want daar hebben arme kinderen meestal maar weinig aan om geld te verdienen (hoofdstuk 4).

Projecten voor marktgeoriënteerde kennisoverdracht zijn complex Projecten op dit gebied dienen gebaseerd te zijn op grondig vooronderzoek. Onderzocht moet worden welke sectoren de beste kansen bieden, welke kennis ondernemers en vaklieden nodig hebben, en wat voor scholingsfaciliteiten nodig zijn.

Een voorbeeld van een vooronderzoek voor een project voor de overdracht

Waar toeristenhotels zijn is er vaak een markt voor groente van hoge kwaliteit. Om te besluiten of een onderwijs- en trainingsproject voor het telen van groente zinvol is moet onder meer onderzocht worden wat de vraag is qua soorten en hoeveelheden, in welke tijd van het jaar, wat de kwaliteitseisen zijn, hoe de verschillende soorten groente moeten worden geteeld (zaden, kunstmest, insecticiden, irrigatie), hoe ze moeten worden verpakt, getransporteerd en eventueel opgeslagen, hoe de kwaliteit van de groente kan worden gegarandeerd, wat dat allemaal gaat kosten en of het genoeg oplevert. Tevens moet worden nagegaan welke vaardigheden er moeten worden overgebracht, aan welke personen en aan hoeveel. Nagegaan moet worden of kan worden aangesloten bij bestaande opleidingsinstituten. Bekeken moet worden of er financierings-intrumenten beschikbaar zijn of moeten worden ontwikkeld voor de groentetelers. Verder dient onderzocht te worden of het zinvol is bij te dragen aan infrastructuur, bijvoorbeeld een irrigatiesysteem of een koelhuis voor opslag. van praktische kennis en vaardigheden Op grond van het vooronderzoek kan een onderwijs- en/of trainingsplan worden opgesteld, en kan de haalbaarheid van een hulpproject worden bepaald. Vervolgens moet het plan worden uitgevoerd en, afhankelijk van de voortgang, regelmatig worden bijgesteld. Een en ander steeds in nauwe samenwerking met de betrokken partijen: de bedrijven, de scholen, de cursisten/leerlingen, lerarenopleidingen en overheidsinstanties. Om te kunnen beoordelen of het project ook echt leidt tot blijvende armoedevermindering dient de situatie aan het begin ervan zorgvuldig te worden vastgelegd: de mate van armoede van de doelgroep, het opleidingsniveau, de landbouwproductie en ga zo maar door. Eveneens moeten de omgevingsfactoren in kaart worden gebracht die mede van invloed zijn op het toekomstige armoedeniveau van de doelgroep. Als het om het lokaal telen van groente gaat zijn bijvoorbeeld de prijzen van geïmporteerde groente van invloed. Om te bepalen of de gerealiseerde armoedevermindering inderdaad blijvend is moet het project zorgvuldig worden geëvalueerd, zowel direct na afloop als een aantal jaren later.

De kwaliteit van de uitvoering is belangrijk. De uitvoering van de Nederlandse ontwikkelingsprogramma’s schiet vaak tekort. In veel gevallen wordt de uitvoering van de activiteiten aan de lokale overheid of lokale ontwikkelingsorganisaties overgelaten en dan laat de kwaliteit van de uitvoering vaak te wensen over. Lokale ambtenaren zijn niet altijd even gemotiveerd. Het ontbreekt in ontwikkelingslanden bovendien aan kennis van onderwerpen als marktonderzoek, efficiënt produceren, kwaliteitsmanagement, kostprijsberekening en verkoop. Ook is er nog heel weinig ervaring met onderwijs aan kinderen op het gebied van praktische kennis en vaardigheden in het lagere school programma. Op al die gebieden dienen ervaren Nederlandse deskundigen te worden ingezet. Waar mogelijk dient ook kennisoverdracht plaats te vinden aan lokale deskundigen en leraren, zodat die in de toekomst steeds meer taken kunnen overnemen. Om hulp van hoge kwaliteit te kunnen leveren moet expertise worden opgebouwd, zowel ten aanzien van de sectoren als van de lokale mogelijkheden en moeilijkheden. Dat kost tijd. De hulp zou zich daarom moeten concentreren op een klein aantal landen en streken binnen die landen, en tot een beperkt aantal vakgebieden waarop Nederland veel ervaring heeft, zoals landbouw, watergerelateerde infrastructuur, en transport en logistiek. Omdat ontwikkeling een langzaam en taai proces is, is het aan te bevelen programma’s over een langere periode op te zetten, bijvoorbeeld vijftien of twintig jaar.

Samenvattend: De ontwikkelingshulp zoals die tot op heden gegeven wordt werkt niet, en het moet dus anders. De hulp zou zich moeten richten op het overbrengen van kennis en vaardigheden waarmee de armen een inkomen kunnen verdienen. Het gaat daarbij niet alleen om vakkennis, maar ook om basiskennis op het gebied van ondernemen, zoals kostenberekening en marketing. Omdat arme kinderen meestal maar een paar jaar lagere school volgen en geen ander onderwijs krijgen, dient de overdracht van die kennis en vaardigheden onderdeel te zijn van het lagere school programma. Ervaren Nederlandse deskundigen dienen te worden ingezet om te onderzoeken wat in een bepaalde streek de beste aanpak is en om de kennisoverdrachtprogramma’s uit te voeren. Om kwaliteit te garanderen zou Nederland zich moeten richten op slechts enkele sectoren, en op langdurige steun aan een beperkt aantal landen.

  

Waar is het het vooronderzoek in afrika eigenlijk voor nodig

Deze mensen weten gewoon veel beter hoe het moet

Wij moeten daar weg zelf kunnen ze dat veel beter regelen

s’Landwijs sLands eer 

Nieuw commentaar posten

De inhoud van dit veld is privé en zal niet publiekelijk getoond worden.

Referenties

(De datum bij een website geeft aan wanneer deze geraadpleegd is)

Aditjondro G.J.(2000): Chopping the global tentacles of the Soeharto oligarchy–clan, presentation at the conference ‘Towards democracy in Indonesia’, University of Auckland, 1 April 2000 Ahmad M.M.(2004): The state, laws and non-governmental organisations (NGOs) in Bangladesh, Washington: The international journal of not-for-profit law, Volume 3, Issue 3, March 2001 Anderson M.S.(1972): The ascendancy of Europe, Harlow: Pearson Longman 2003 [6] Barro R.J (1999): Determinants of economic growth, Cambridge MA: MIT Press, second edition BBC News (2003): Public inquiry into Kenya gold scam, 14-03-2003, http://news.bbc.co.uk/1/hi/business/2851519.stm (22-05-2007) Bergmann H. (2002): Practical subjects in basic education - relevance at last or second rate education? Lessons from 40 years of experience, GTZ/FAO, Eschborn: Deutsche Gesellschaft für Technische Zusammenarbeit,December 2002 http://www.fao.org/sd/2003/KN0402a_en.htm (17-10-2006) Berkman, S. (2008): The World Bank and the gods of lending, Sterling: Kumarion Press, quoted in NRC Handelsblad, Rotterdam 07-06-2008 Bräutigam D. (2001): Aid Dependence and governance, American University, Stockholm: Almqvist & Wiksell International Bräutigam D., S. Knack (2004): Foreign aid, institutions, and governance in sub-Saharan Africa, Economic Development and Cultural Change, 52, January 2004, Chicago: University of Chicago Press Briend A, K.Z. Hasan, K.M.A. Aziz, B.A. Hoque (1989): Are diarrhoea control programs likely to reduce childhood malnutrition - Observations from rural Bangladesh, The Lancet 1989, 2: 319–322 Brinkerhoff W., A. Goldsmith (2002): Clientelism, patrimonialism and democratic governance, ABT/USAID, Cambridge MA: Abt Associates Chakrabarty A. (2007): Ontwikkelingsgeld of weggegooid geld, Rotterdam: NRC 01-09-2007 Cremer, G. (2000):Korruption begrenzen, Praxisfeld Entwicklungspolitik (Limiting corruption - practical experience from development cooperation), in D.R. Gothe: Donor responsibility and the diversion of aid money, D+C Development and Cooperation No. 2, 2002, p. 26 – 27 Djojohadikusumo S. (1994): Reports of corruption shock house of representatives, Jakarta: Jakarta Post, 07-01-1994 Djurfeldt G., H. Holmén, M. Jirström (2005): Addressing food crisis in Africa, Stockholm: SIDA Easterly W. (2003): Can foreign aid buy growth? Pittsburgh: Journal of Economic Perspectives, Vol 17 No. 3, p 23-48 Emmerson, D.K.(1999): Indonesia beyond Suharto, Armonk: Sharpe Evans P.B (1995): Embedded autonomy: states and industrial transformation, New Jersey: Princeton university press FAO (2004): The state of agricultural commodity markets 2004, Rome ftp://ftp.fao.org/docrep/fao/007/y5419e/y5419e00.pdf (28-01-2009) Fleischer D. (1995): Attempts at corruption control in Brazil: congressional investigations and strengthening internal control, Washington: Political Science Association Freeman T., S. Dohoo Faure (2003): Local solutions to global challenges: towards effective partnership in basic education, final report, The Hague: MFA, www.euforic.org/iob (28-03-2006) Gibson M.A., R. Mace (2006): An energy-saving development initiative increases birth rate and childhood malnutrition in rural Ethiopia, PLoS Medicine, 2006 Vol. 3, No. 4, e87, Cambridge UK, p 0476 – 0484 GTZ (2009): Förderung der Nachhaltigkeit einer unternehmensorientierten alternierenden Berufsausbildung, Eschborn http://www.gtz.de/de/praxis/6508.htm (02-06-2009) IOB (2007): Het Nederlandse Afrikabeleid 1998-2006, Den Haag: Ministerie van Buitenlandse Zaken Kaufman R.R (1974): The patron-client concept and macro-politics: prospects and problems, Comparative Studies in Society and History, 1974, 16(3), p 284-308 Knack S. (1999): Aid dependency and quality of governance, an empirical analysis, Maryland: IRIS, University of Maryland Kraft R. (2003): Primary Education in Ghana, Accra: USAID Lawson K. et. al. (1980): Political parties and linkage, a comparative perspective, International Journal of Comparative Sociology Vol. 24, No. 3-4, 279 Mearns E. (2007): The European gas market, figure 7 http://www.321energy.com/editorials/mearns/mearns121307.html (27-10-2008) Measure DHS (2006): http://www.measuredhs.com/aboutsurveys/search/search_survey_ main.cfm?SrvyTp=type&listtypes=1 (27-12-2008) Ministerie van Buitenlandse Zaken (2006): Water and sanitation project, Dhaka: Dutch embassy Bangladesh http://www.netherlandsembassydhaka.org/basic_ education.html 13-10-2006) Moore B. (1966): Social origins of dictatorship and democracy: lord and peasant in the making of the modern world, Boston: Beacon press Moss T., G. Pettersson, N. van de Walle (2006): An aid-institutions paradox? A review essay on aid dependency and state building in sub-Saharan Africa, CGD Working Paper 74, Washington: CGD Moyo, D. (2009): Dead aid, destroying the biggest global myth of our time, New York: Farrar: Straus and Giroux O’Donnell, G. (1996): Illusions about consolidation, Journal of Democracy 1996 7- 2, p 34-51 OECD (2008): Agricultural support estimates, Factbook 2008, Paris http://fiordiliji.sourceoecd.org/pdf/factbook2008/302008011e-10-03-01.pd... (02-02-2009) Oxfam-Novib (2007): Partnerplan Bangladesh, Den Haag http://www.oxfamnovib.nl/id.html?id=9713 (16-06-2008) Pearce J. (2002): IMF: Angola’s missing millions, BBC News 18-10-2002 http://news.bbc.co.uk/2/hi/africa/2338669.stm (03-08-2006) Phongpaicht P., S. Piriyarangsan (1994): Corruption and democracy in Thailand, Bangkok: The Political Economy Centre, Chulalongkorn Univerisity Poskitt E.M.E., T.J. Cole, R.G. Whitehead, L.T. Weaver (1999): Less diarrhoea but no change in growth: 15 years’ data from three Gambian villages, Arch Dis Child, 80: 115–120 Rajan G., A. Subramanian (2006): Aid, Dutch disease, and manufacturing growth, Cambridge MA: NBER Working Paper SER (1988): Advies sociaal-economisch beleid op middellange termijn 1988-1992, Den Haag http://www.ser.nl/~/media/DB_Adviezen/1980_1989/1988/b09343.ashx (02-06-2009) Svensson J. (2005): Eight questions about corruption, Journal of Economic Perspectives 2005 Vol 19 No 3, p 19-42, http://www1.worldbank.org/publicsector/anticorrupt/Svensson%20Eight%20Qu...(JEP%20Vol%2019,%20No%203%202005).pdf (09-06-2007) TADREG (1993): Parents’ attitudes and strategies towards education in rural Tanzania, final report, Dar es Salaam 1993, quoted in Burke K.,K. Beegle: Why children aren’t attending school, the case of North-western Tanzania, Journal of African Economies, vol 13 No 2, p 333-355 Transparency International (2000): Corruption Perceptions Index 2000 http://www.transparency.org/policy_research/surveys_indices/cpi (25-11-2008) Transparency International (2005): Global corruption report 2004, London: Pluto Press Transparency International (2007): Corruption Perceptions Index 2007 http://www.transparency.org/policy_research/surveys_indices/cpi (25-11-2008) Transparency International, Graf Lambsdorff, J (1997): The Corruption Perception Index (CPI) 1997, Universität Göttingen http://www.transparency.org/policy_research/surveys_indices/cpi/previous... (02-06-2009) UNESCO (2009): EFA Global monitoring report, Fontenoy: UNESCO http://www.unesco.org/en/efareport Veen, R. van der (2002): Afrika, van de koude oorlog naar de 21ste eeuw, Amsterdam: Aksant VN (1998): The state of the world’s children, New York: UNICEF http://www.unicef.org/sowc98/sowc98.pdf (05-02-2009) VN (2003): Human Development Report 2003, New York http://hdr.undp.org/en/reports/global/hdr2003/ (29-03-2008) VN (2005a): Human Development Report 2005, New York http://hdr.undp.org/en/reports/global/hdr2005/ (01-02-2009) VN (2007): Human Development Report 2007-2008, New York http://hdr.undp.org/en/reports/global/hdr2007-2008/ VN (2008): Economic development in Africa 2008, Export performance following trade liberalization, UNCTAD, New York and Geneva Wade, R. (1982): The system of administrative and political corruption: canal irrigation in south India, The Journal of Development Studies 18,no.3 (287-328) Wereld Bank (2008): World Development Indicators 2008, Washington WHO (2006a): Child growth standards: methods and development, Geneva WHO (2006b): Causes of death among children under 5 years of age, WHO health statistics 2006, Geneva p 22-29 http://www.who.int/whosis/whostat2006.pdf (19-08-2007) WHO (2006c): Global database on child growth and malnutrition, Geneva www.who.int/gdgm/p-child_pdf/ (20-12-2006) Winters J.A.(2000): Criminal debt in the Indonesian context; Evanston: Center for International and Comparative Studies, Northwestern University July 3/2000 Wittenberg D., J. Banning (2005): Het gezicht van de armoede (The face of poverty), NRC Monthly Magazine, Rotterdam 09-2005 [1] Voor de verwijzingen zie de lijst achterin [2] Met Afrika wordt hier het gebied ten zuiden van de Sahara bedoeld [3] Eigen ervaring van de auteur en collega’s in een groot aantal projecten [4] BBP, bruto binnenlands product, is de totale waarde van de goederen en diensten geproduceerd in een land, ook voor zover die eigendom zijn van bedrijven of personen in het buitenland. BNI is BBP gecorrigeerd voor internationale geldoverboekingen en afschrijving van productiemiddelen [5] BBP, bruto binnenlands product, is de totale waarde van de goederen en diensten geproduceerd in een land, ook voor zover die eigendom zijn van bedrijven of personen in het buitenland. [6] Herdrukt