De huidige ontwikkelingshulp, die vaak zinloos en zelfs schadelijk
blijkt, moet worden beëindigd. Mensen opleiden tot kleine ondernemers
kan wél een belangrijke bijdrage aan de armoedevermindering leveren.
Ook mensen opleiden tot een vak dat hen kansen biedt binnen modernere
bedrijven is een belangrijk aspect binnen de ontwikkelingshulp. Te
beginnen in het lager onderwijs.
Deze conclusie volgt uit de verschillende facetten van het onderzoek
die in de vorige hoofdstukken uit de doeken zijn gedaan. Armoede
betekent gebrek op allerlei manieren: weinig inkomen, een korte
levensverwachting, nauwelijks opleiding, en geen toegang tot goede
gezondheidszorg en veilig drinkwater. Ook ontbreekt het de
ontwikkelingslanden aan een goede infrastructuur, democratie, gelijke
rechten voor vrouwen en goed bestuur. De hulp is er op gericht alles
wat ontbreekt te realiseren. Maar in de vorige hoofdstukken is
aangetoond dat dat niet lukt. De hulp maakt het zelfs vaak nog erger.
Er is dus een fundamenteel andere aanpak nodig.
Op welke wijze kan de ontwikkelingshulp worden ingezet om de armoede
wél te verminderen?
Waarom bepaalde delen van de wereld wel ontwikkelen en andere niet,
komt vooral door het verschil in sociaal kapitaal (hoofdstuk 5). Maar
sociaal kapitaal is het resultaat van eeuwenlange processen, het kan
niet even snel worden gecreëerd door ontwikkelingshulp. De vraag is: op
welke wijze kan de ontwikkelingshulp worden ingezet om de armoede wél
te verminderen?
De hulp zou zich er op moeten richten om mensen te helpen zelf een
inkomen te verdienen. De sleutel is kennis en vaardigheden. Ook in de
minst ontwikkelde landen zijn er altijd mensen, ook van arme afkomst,
die hun vak verstaan en een product of dienst aanbieden waar een ander
goed voor wil betalen. Die kleine (vaak éénmans-) ondernemers zijn
altijd in staat een behoorlijk inkomen te verdienen. Het type product
of dienst maakt niet uit. Belangrijk is:
* dat er voldoende vraag naar is,
* dat de klanten er een prijs voor willen betalen die voldoende boven
de kostprijs ligt, zodat de leverancier er genoeg aan verdient,
· dat de ondernemer het op een efficiënte manier kan produceren zodat
de kostprijs niet te hoog is en hij concurreren kan met andere leveranciers,
· dat de kwaliteit voldoet aan de verwachtingen van de klant, en dat
hij de klanten weet te vinden en ze weet te overtuigen om zijn
producten of diensten af te nemen.
Een ondernemer moet dus verschillende kwaliteiten hebben.
Voor mensen
die in loondienst werken is vooral het vakmanschap van belang. Maar in
stagnerende ontwikkelingslanden, zoals de meeste Afrikaanse landen, is
er vrijwel geen werk voor mensen met basale vakkennis, en de lonen zijn
er laag. Voor de meeste mensen biedt ‘voor zichzelf beginnen’ dus de
beste kans om uit de armoede te ontsnappen. Zo iemand moet over
verschillende vaardigheden beschikken om met succes te kunnen
ondernemen. Een timmerman die tafels maakt moet niet alleen de
houtbewerking beheersen, maar hij moet ook kunnen inschatten of hij
genoeg tafels kan verkopen om er van te leven, hij moet in staat zijn
de tafels op een efficiënte manier te maken (bijvoorbeeld door in één
keer tien dezelfde te maken, of door een elektrische zaag te
gebruiken), hij moet nagaan wat zijn klanten bereid zijn voor een tafel
te betalen, hij moet zijn kostprijs kunnen schatten (materiaal,
afschrijving van zijn gereedschap, zijn uren), hij moet weten wat de
klanten van een tafel verwachten (afmetingen, gladheid, vorm, soort
hout, laadjes) en aan die verwachtingen kunnen voldoen, en hij moet
reclame maken en goed kunnen uitleggen waarom de klant zijn tafel moet
kopen in plaats van een andere.
Voor mensen die niet over ondernemerskwaliteiten beschikken bieden
grotere, meer moderne bedrijven,
zoals vestigingen van buitenlandse ondernemingen, een kans. Deze
bedrijven zitten vaak te springen om vaklieden, en ze betalen relatief
hoge lonen. Mensen die beschikken over vaardigheden waar moderne
bedrijven graag voor willen betalen kunnen een goed inkomen verdienen,
bijvoorbeeld goede lassers.
Mensen opleiden tot kleine ondernemers of tot vaklieden waar modernere
ondernemingen behoefte aan hebben, kan dus een belangrijke bijdrage aan
de armoedevermindering leveren. De ontwikkelingshulp kan hier een
bijdrage aan leveren. Op beperkte schaal gebeurt dat ook wel, de
Nederlandse hulp ondersteunt ook hier en daar beroepsonderwijs. De
hulporganisaties van andere landen, bijvoorbeeld de Duitse GTZ, doen
wat meer op dit gebied (GTZ 2009).
Vakkennis in het basisonderwijs
Het is wel van belang al binnen het lager onderwijs te beginnen met de
overdracht van praktische kennis en vaardigheden. Veel kinderen haken
na het lager onderwijs af en missen daardoor de boot. Beroepsonderwijs
wordt nu alleen gegeven als vervolgonderwijs, dus na afronding van de
lagere school. Kinderen uit arme gezinnen volgen gewoonlijk slechts een
paar jaar lagere school en krijgen daarna geen ander onderwijs meer. Ze
gaan dan werken om zo mee te helpen het gezinsinkomen te verdienen. De
enige oplossing is de vakkennis en -kunde en ook de beginselen van het
ondernemen al in het lagere school programma te onderwijzen. Het is
geen groot bezwaar als dat ten koste gaat van lezen en schrijven, want
daar hebben arme kinderen meestal maar weinig aan om geld te verdienen
(hoofdstuk 4).
Projecten voor marktgeoriënteerde kennisoverdracht zijn complex
Projecten op dit gebied dienen gebaseerd te zijn op grondig
vooronderzoek. Onderzocht moet worden welke sectoren de beste kansen
bieden, welke kennis ondernemers en vaklieden nodig hebben, en wat voor
scholingsfaciliteiten nodig zijn.
Een voorbeeld van een vooronderzoek voor een project voor de overdracht
Waar toeristenhotels zijn is er vaak een markt voor groente
van hoge kwaliteit. Om te besluiten of een onderwijs- en
trainingsproject voor het telen van groente zinvol is moet onder meer
onderzocht worden wat de vraag is qua soorten en hoeveelheden, in welke
tijd van het jaar, wat de kwaliteitseisen zijn, hoe de verschillende
soorten groente moeten worden geteeld (zaden, kunstmest, insecticiden,
irrigatie), hoe ze moeten worden verpakt, getransporteerd en eventueel
opgeslagen, hoe de kwaliteit van de groente kan worden gegarandeerd,
wat dat allemaal gaat kosten en of het genoeg oplevert. Tevens moet
worden nagegaan welke vaardigheden er moeten worden overgebracht, aan
welke personen en aan hoeveel. Nagegaan moet worden of kan worden
aangesloten bij bestaande opleidingsinstituten. Bekeken moet worden of
er financierings-intrumenten beschikbaar zijn of moeten worden
ontwikkeld voor de groentetelers. Verder dient onderzocht te worden of
het zinvol is bij te dragen aan infrastructuur, bijvoorbeeld een
irrigatiesysteem of een koelhuis voor opslag.
van praktische kennis en vaardigheden
Op grond van het vooronderzoek kan een onderwijs- en/of trainingsplan
worden opgesteld, en kan de haalbaarheid van een hulpproject worden
bepaald. Vervolgens moet het plan worden uitgevoerd en, afhankelijk van
de voortgang, regelmatig worden bijgesteld. Een en ander steeds in
nauwe samenwerking met de betrokken partijen: de bedrijven, de scholen,
de cursisten/leerlingen, lerarenopleidingen en overheidsinstanties. Om
te kunnen beoordelen of het project ook echt leidt tot blijvende
armoedevermindering dient de situatie aan het begin ervan zorgvuldig te
worden vastgelegd: de mate van armoede van de doelgroep, het
opleidingsniveau, de landbouwproductie en ga zo maar door. Eveneens
moeten de omgevingsfactoren in kaart worden gebracht die mede van
invloed zijn op het toekomstige armoedeniveau van de doelgroep. Als het
om het lokaal telen van groente gaat zijn bijvoorbeeld de prijzen van
geïmporteerde groente van invloed. Om te bepalen of de gerealiseerde
armoedevermindering inderdaad blijvend is moet het project zorgvuldig
worden
geëvalueerd, zowel direct na afloop als een aantal jaren later.
De kwaliteit van de uitvoering is belangrijk. De uitvoering van de Nederlandse ontwikkelingsprogramma’s schiet vaak
tekort. In veel gevallen wordt de uitvoering van de activiteiten aan de
lokale overheid of lokale ontwikkelingsorganisaties overgelaten en dan
laat de kwaliteit van de uitvoering vaak te wensen over. Lokale
ambtenaren zijn niet altijd even gemotiveerd. Het ontbreekt in
ontwikkelingslanden bovendien aan kennis van onderwerpen als
marktonderzoek, efficiënt produceren, kwaliteitsmanagement,
kostprijsberekening en verkoop. Ook is er nog heel weinig ervaring met
onderwijs aan kinderen op het gebied van praktische kennis en
vaardigheden in het lagere school programma. Op al die gebieden dienen
ervaren Nederlandse deskundigen te worden ingezet. Waar mogelijk dient
ook kennisoverdracht plaats te vinden aan lokale deskundigen en
leraren, zodat die in de toekomst steeds meer taken kunnen overnemen.
Om hulp van hoge kwaliteit te kunnen leveren moet expertise worden
opgebouwd, zowel ten aanzien van de sectoren als van de lokale
mogelijkheden en moeilijkheden. Dat kost tijd. De hulp zou zich daarom
moeten concentreren op een klein aantal landen en streken binnen die
landen, en tot een beperkt aantal vakgebieden waarop Nederland veel
ervaring heeft, zoals landbouw, watergerelateerde infrastructuur, en
transport en logistiek. Omdat ontwikkeling een langzaam en taai proces
is, is het aan te bevelen programma’s over een langere periode op te
zetten, bijvoorbeeld vijftien of twintig jaar.
Samenvattend: De ontwikkelingshulp zoals die tot op heden gegeven
wordt werkt niet, en het moet dus anders. De hulp zou zich moeten
richten op het overbrengen van kennis en vaardigheden waarmee de armen
een inkomen kunnen verdienen. Het gaat daarbij niet alleen om
vakkennis, maar ook om basiskennis op het gebied van ondernemen, zoals
kostenberekening en marketing. Omdat arme kinderen meestal maar een
paar jaar lagere school volgen en geen ander onderwijs krijgen, dient
de overdracht van die kennis en vaardigheden onderdeel te zijn van het
lagere school programma. Ervaren Nederlandse deskundigen dienen te
worden ingezet om te onderzoeken wat in een bepaalde streek de beste
aanpak is en om de kennisoverdrachtprogramma’s uit te voeren. Om
kwaliteit te garanderen zou Nederland zich moeten richten op slechts
enkele sectoren, en op langdurige steun aan een beperkt aantal landen.
Nieuw commentaar posten