De waarde van de lokale munt stijgt als landen veel geld in
buitenlandse valuta ontvangen, bijvoorbeeld als gevolg van olie export.
Met als gevolg dat het prijsniveau hoger wordt en lokale bedrijven niet
meer kunnen concurreren met buitenlandse ondernemingen (Moss,
Pettersson en van de Walle 2006), en de economische groei wordt geremd.
Dit effect staat bekend als ‘Dutch disease’.
Het verschijnsel ‘Dutch disease’, ofwel Nederlandse ziekte, heet zo
omdat het voor het eerst serieus werd onderzocht toen Nederland in de
jaren zestig startte met het exporteren van gas (Mearns 2007). De
stijging van de gulden veroorzaakte problemen in de mijnbouw en de
textielindustrie (SER 1988). De ontwikkelingshulp heeft eenzelfde
effect. Omdat de omvang van de economie in arme landen gering is, is de
hulp als percentage van het bruto binnenlands
product (BBP) al gauw groot, in veel Afrikaanse landen meer dan 10
procent (zie hoofdstuk 5). Daardoor is het prijsniveau er relatief
hoog. Het prijsniveau in een land wordt bepaald ten opzichte van dat in
de VS. Als het prijspeil bijvoorbeeld 0,5 is dan zijn de goederen en
diensten er gemiddeld half zo duur als in de VS. In ontwikkelingslanden
is de productiviteit laag (zie de grafiek van de graanopbrengst,
hoofdstuk 1) en om toch te kunnen concurreren moet het prijspeil er
veel lager zijn dan in de VS. Dus hoe armer het land, hoe lager het
prijspeil. Onderstaande tabel toont voor verschillende wereldregio’s
het bruto nationaal inkomen (BNI) [4] per inwoner in koopkracht (KK,
dus gecorrigeerd voor prijspeil), het prijspeil, en de groei van het
BNI per inwoner.
Prijspeil en groei per wereldregio, 2006 (Wereld Bank 2008, VN 2007)
| Regio |
BNI / Inw. KK, $, 2006 (WB)
|
Prijspeil 2006 (WB)
|
Groei BNI/inw. KK, %, 1990-2005 (VN)
|
Su-Sahara Afrika
|
1842 |
0.49 |
0.5 |
Zuid-Azië
|
2289 |
0.34 |
3.4 |
Oost-Azië
|
4359 |
0.43 |
5.8 |
Latijns Amerika
|
8682 |
0.55 |
1.2 |
Rijke landen
|
34933 |
1.05 |
1.8 |
De tabel bevestigt dat het prijsniveau hoger ligt naarmate de regio’s
rijker zijn. Alleen Afrika valt uit de toon. Het prijspeil is er hoger
dan in Zuid-Azië en zelfs hoger dan in Oost-Azië, terwijl het inkomen
en dus de waarde van de geproduceerde goederen en diensten per inwoner
(BNI/hoofd KK) in Afrika veel lager is. Dus een Afrikaanse producent
heeft hogere kosten en produceert ook nog eens minder per gewerkt uur
dan zijn collega’s in Zuid- en Oost-Azië. Daardoor kunnen in Afrika de
industrie en de landbouw niet concurreren. Vandaar ook de lage
economische groei. Wat de landbouw betreft wordt het effect nog
versterkt door de landbouwsubsidies in de rijke landen, zie
de figuur (OECD 2008).
 |
Subsidies aan producenten van landbouwproducten als percentage van de bruto bedrijfsinkomsten
|
 |
Aandeel van de voedselimport (voedselhulp niet meegerekend) in de totale voedselconsumptie in de ontwikkelingslanden. 1970-2001 (FAO)
|
 |
| Averechts effect van de hulp op de ontwikkeling van de maakindustrie. (Rajan & Subramanian, logaritmische schaal. |
Subsidies aan producenten van landbouwproducten
als percentage van de bruto bedrijfsinkomsten (OECD)
De subsidies drukken wereldwijd de prijzen van landbouwproducten. De
hoge prijzen in 2007 waren van voorbijgaande aard. Omdat er in Afrika
door het hoge prijsniveau met landbouw bijna niets valt te verdienen,
produceren de kleine boeren niet meer dan ze voor eigen consumptie
nodig hebben (Djurfeldt, Holmén en Jirström 2005). Daardoor is de
landbouwproductie achtergebleven. Veel ontwikkelingslanden, en bijna
alle landen in Afrika, zijn genoodzaakt voedsel te importeren (FAO
2004), zie figuur.
Aandeel van de voedsel import (voedselhulp niet meegerekend) in de
totale voedsel consumptie in de ontwikkelingslanden, 1970 - 2001 (FAO)
Rajan en Subramanian (2006) deden in een groot aantal landen onderzoek
naar het effect van de hulp op het prijsniveau en op de ontwikkeling
van de maakindustrie. Ze toonden een duidelijke samenhang aan tussen
hulp en industriële ontwikkeling, zie diagram. Een toename van de hulp
(als percentage van het BBP [5]) met één procentpunt remt de
ontwikkeling van de maakindustrie met gemiddeld 0,45 procentpunten. Dus
indien zonder hulp de maakindustrie in een land zou groeien met
bijvoorbeeld 4,5 procent dan zorgt, gemiddeld genomen, hulp ter grootte
van 10 procent van het BBP ervoor dat er geen groei plaats vindt.
Tekstvak:
Het is juist de maakindustrie die banen en inkomens voor de armen kan
creëren. De ontwikkeling van China laat dat duidelijk zien. Via het
Dutch disease effect zorgt de grote hoeveelheid hulp aan Afrika ervoor
dat de ontwikkeling wordt afgeremd. Afrika’s aandeel in de export van
producten van de maakindustrie (exclusief de Republiek Zuid Afrika) is
slechts ongeveer 1 procent van het wereld totaal (VN 2008, p 38).
Samenvattend : De grote hoeveelheid hulp aan Afrika veroorzaakt een
relatief hoge waarde van de munt in de Afrikaanse landen en een hoog
prijspeil (‘Dutch disease’). Daardoor kunnen lokale ondernemingen en
boeren niet concurreren tegen importen en op exportmarkten. Bovendien
drukken de landbouwsubsidies van de westerse landen de prijzen van
voedselproducten op de wereldmarkt, wat de concurrentie
voor de Afrikaanse boeren nog moeilijker maakt. Landbouw en industrie
komen daarom in Afrika niet van de grond. De hulp aan Afrika houdt de
armoede dus in stand.
Nieuw commentaar posten