In ontwikkelingslanden gaat grofweg een derde deel van de staatsfondsen
en de ontwikkelingshulp op aan corruptie. Van de Nederlandse hulp van
bijna € 5 miljard per jaar gaat dus ruim € 1,5 miljard verloren. Van de
totale internationale hulp van $ 100 miljard verdwijnt zo’n $ 30 miljard.
Corruptie in ontwikkelingslanden, voorbeelden en percentages:
• Volgens Berkman, hoofd van de afdeling corruptieonderzoek
van de Wereld Bank, gaat 30-40% van de leningen van de Wereldbank
verloren door corruptie (Berkman 2008).
• Volgens economisch adviseur
van de Indonesische regering Djojohadikusumo, is het effect van de
Indonesische overheidsinvesteringen 30% lager dan het zou moeten zijn,
en ‘daar is geen verklaring voor’ (Djojohadikusumo, Jakarta Post 07-01-1994).
• In een studie naar de corruptie in Peru concludeerde het
United Nations Asia and Far East Institute for the Prevention of Crime
and the Treatment of Offenders (UNAFEI), dat overheidsmedewerkers de
kosten van investeringen via pensioenfondsen 25% te hoog hadden
gerapporteerd, en de kosten van de aanschaf van regeringsvliegtuigen
30%. Het verschil was zoek (VN 2005b).
• Wade, professor aan de London
School of Economics, vond dat in een grootschalig irrigatieproject in
Zuid India 20-50% van de fondsen verdween (Wade 1982).
• Uit een studie
van Phongpaicht and Piriyarangsan, professoren aan Chulalongkorn
University Bangkok, bleek dat in infrastructuur projecten in Thailand
20-40% van de projectkosten bestonden uit smeergeld (Phongpaicht and
Piriyarangsan 1994).
• Fleischer, professor aan de Universiteit van
Brasilia, stelde vast dat in Brazilië bij overheidscontracten 30-50%
van de gelden verdween (Fleischer 1995).
• Professor Georg Cremer,
secretaris generaal van Caritas International Germany, een grote
katholieke liefdadigheidsinstelling, schat dat in Caritas projecten
20-30 % van de fondsen door corruptie verdwijnt (Cremer 2000).
De
volgende voorbeelden zijn gebaseerd op eigen ervaringen van de auteur:
• In 2006 schatten Nigeriaanse ambtenaren op
stedelijk niveau dat van de regeringsfondsen voor watervoorziening
slechts 40% werkelijk gebruikt werden voor watervoorziening. De
corruptie bedroeg dus 60% van het budget.
• In 1994 werkte de auteur in
Indonesië als adviseur in een stedelijk infrastructuur project, omvang
$ 140 miljoen, gefinancierd door de Aziatische Ontwikkelingsbank. De
lokale manager legde uit dat in alle overheidscontracten in Indonesië
een derde van de fondsen verdween. 10% was voor de president en zijn
familie, de betrokken minister, zijn ambtenaren; 10% voor de gouverneur
van de provincie en de ambtenaren op provinciaal niveau; 10% voor de
burgemeester en de ambtenaren op stedelijk niveau; en 3% ging naar de
aanbestedingscommissies en de project manager.
• In 2000 vertelde een
Nederlandse leverancier van apparatuur voor watervoorzieningsprojecten
in Afrikaanse landen, dat hij om een opdracht te krijgen gewoonlijk 35%
op de prijs moest zetten voor smeergeld.
De vroegere Filippijnse president Marcos liet zo’n $ 35 miljard
verdwijnen
Nog een paar voorbeelden ter illustratie van de corruptie: in het begin
van de jaren negentig legden hoge politici in Kenia de hand op $ 1
miljard door fraude met gefingeerde exporttransacties (BBC news 2003).
In Angola verdwijnt het grootste deel van de olieopbrengsten, alleen in
2001 al $ 1 miljard (Pearce 2002). De vroegere president van Zaïre,
Mobutu, verduisterde tijdens zijn presidentschap $ 5 miljard (Svensson
2005). Marcos, de vroegere president van de Filippijnen liet zo’n $ 35
miljard verdwijnen (Transparency International 2005). De fondsen die
werden weggesluisd door de vroegere president van Indonesië, Suharto,
worden geschat op $ 10 miljard, maar als familie en protégés worden
meegeteld gaat het om zo’n $ 100 miljard. Hij verzekerde zich van de
steun van het leger door hoge militairen te helpen bedrijven op te
zetten. ‘Bijklussende’ militairen bezitten tientallen grote
ondernemingen, bijvoorbeeld een communicatie satelliet, een
visserijvloot en een houtkap firma (Aditjondro 2000).
Het geld verdwijnt zonder dat het te traceren is
Om de sympathie van het volk niet helemaal te verliezen en de donoren
niet in verlegenheid te brengen wordt de corruptie meestal zorgvuldig
geheimgehouden. Volgens medewerkers van de Wereld Bank zijn hun
accountants niet in staat de onregelmatigheden vast te stellen. De
accountants controleren of de boeken voldoen aan de internationale
standaarden voor financiële verslaggeving, en normaal gesproken voldoen
die daaraan. Maar of de cijfers zélf wel juist zijn kunnen ze niet
vaststellen (Winters 2000). Het basisprincipe waarmee binnen de
overheid duistere financiële transacties verborgen worden gehouden is
als volgt. Overheidsinkomsten -bijvoorbeeld belastingen en betalingen
voor water en elektriciteit- worden ondergerapporteerd. Er blijft dus
geld over dat er officieel helemaal niet is. Dat geld wordt
weggesluisd. Overheidsuitgaven worden juist overgerapporteerd, zoals de
kosten van infrastructuur, gezondheidszorg, onderwijs,
transportmiddelen en consultants. Er worden dus minder goederen en
diensten verkregen dan eigenlijk zou moeten, en het zo uitgespaarde
geld word ook weggesluisd. Om de boeken kloppend te krijgen worden de
prijzen van de aangekochte goederen en diensten op papier een stuk
verhoogd. Dat gebeurt vooral met die goederen en diensten die achteraf
moeilijk te controleren zijn, zoals consulting, onderhoud, en de
funderingen en het betonijzer van bruggen en gebouwen. Soms worden de
eisen aan de goederen en diensten met opzet hoger gesteld dan vereist
is. In de specificaties van een gebouw wordt bijvoorbeeld duizend ton
beton aangegeven voor de fundering, terwijl 500 in feite genoeg is.
Tijdens de bouw wordt er vijfhonderd ton gestort, maar in de boeken
worden de kosten van duizend ton opgevoerd [3].
Politici nemen veelvuldig deel aan dit soort praktijken. Ze geven
bijvoorbeeld via door hen gecontroleerde banken leningen aan bevriende
partijen, die nooit worden terug betaald. Zo is niet te traceren waar
het geld gebleven is. Schenkingen aan liefdadigheidsinstellingen zijn
daarvoor ook handig want hun financiële handel en wandel wordt helemaal niet gecontroleerd, en het is dus niet te achterhalen wat ze met hun
geld doen. Hulp via lokale instanties is daarom niet zonder risico. De
Nederlandse Ambassade in Accra (Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006)
en Oxfam-NOVIB (2007) financierden de grote charitatieve instelling
BRAC in Bangladesh, die volgens verschillende bronnen grootscheeps
verwikkeld is in corruptie (Ahmad 2004, Chakrabarty 2007). Er is ook
veel corruptie via afspraken tussen overheid en bedrijfsleven,
bijvoorbeeld als de staat een bedrijf het monopolie geeft op de
productie of de handel in een bepaald product. De inkoopprijzen kunnen
dan ‘legaal’ worden gedrukt en de verkoopprijzen opgeschroefd.
Leveranciers en afnemers hebben immers geen keus. In Indonesië waren er
in de jaren negentig officiële monopolies op talloze producten,
bijvoorbeeld fruit, kruiden, cement, mie, de export van hout en de
import van luxe producten als wijn (Emmerson 1999).
De corruptie is niet de oorzaak van achterblijvende ontwikkeling
De corruptie gaat natuurlijk ten koste van het budget voor publieke
diensten en investeringen in de economie. Toch is er geen statistisch
verband tussen corruptie en ontwikkeling. De snel groeiende landen in
Zuid-Oost Azië zijn minstens zo corrupt als die in Afrika. China
bijvoorbeeld had in 2000 een CPI van ongeveer 3,1, rond het gemiddelde
in Afrika in die tijd, en Vietnam zit al jaren rond de 2,5, veel
slechter dan het gemiddelde Afrikaanse land toen (Transparency
International 2000). Toch groeiden beide landen sindsdien als kool,
terwijl Afrika stagneerde. Volgens verscheidene bronnen komt dat door
het verschil in sociaal kapitaal (zie hoofdstuk 5). In Oost- en
Zuid-Oost Azië ontstonden al duizenden jaren geleden georganiseerde
samenlevingen met wetten en regels, rangen en standen en een
geformaliseerd machtssysteem. In Afrika is dat proces van staatsvorming
pas op gang gekomen na de dekolonisatie in de jaren zestig (Veen 2002).
Vooral in de Oost en Zuid-Oost Aziatische landen is de politieke
situatie stabieler, werken mensen beter samen, en houden de leiders
zich meer bezig met de ontwikkeling van hun land. Het gedeelte van de
fondsen dat verdwijnt door corruptie is waarschijnlijk ongeveer
hetzelfde als in Afrika, maar met het resterende deel wordt meer
verantwoordelijk omgesprongen. Sociaal kapitaal is echter nauwelijks
door hulp te beïnvloeden.
Samenvattend: ongeveer een derde van de staatsfondsen in de
ontwikkelingslanden verdwijnt door corruptie. Ook circa een derde van
de ontwikkelingshulp raakt verloren. De boeken kloppen echter altijd,
dus het heeft voor de donoren geen zin om die te controleren. Bovendien
is de corruptie niet de reden waarom landen stagneren. Veel landen in
Zuid-Oost Azië zijn minstens zo corrupt als die in Afrika, en
ontwikkelen zich in hoog tempo. Het sociaal kapitaal in een land -het
onderling vertrouwen, sociale codes, instituties, maatschappelijke
organisaties- is veel belangrijker voor de ontwikkeling. Maar dat is
nauwelijks door hulp te beïnvloeden.
Nieuw commentaar posten