In de ontwikkelingslanden is het bestuur in het algemeen slecht, en er
is veel corruptie. De publieke organisatie is vaak zwak, als gevolg van
onvoldoende sociaal kapitaal: het ontbreekt aan vertrouwen, sociale
netwerken, betrouwbare organisaties, gedragsnormen etc. Soms is er
sprake van ‘falende staten’, daar is ontwikkeling niet mogelijk, en
ontwikkelingshulp heeft er geen zin. Maar het ontstaan van een
middenklasse in een samenleving kan een kentering veroorzaken.
In vergelijking met de geïndustrialiseerde landen (Europa) is de
organisatie van het publieke domein in ontwikkelingslanden slecht
ontwikkeld. Het rechtssysteem is doorgaans partijdig en niet effectief.
In sommige gevallen is het bestuur zo zwak dat het nauwelijks nog
functioneert en ophoudt de basisfuncties van de staat uit te voeren,
zoals zorgen voor openbare veiligheid, infrastructuur en onderwijs
(Veen 2002). Een voorbeeld van zo’n falende staat is Zaïre onder Mobutu
in de jaren negentig (Evans 1995).
Omdat in de ontwikkelingslanden van de staat weinig verwacht kan worden
als het gaat om bescherming en ondersteuning, helpen familieleden en
vrienden elkaar. Ook zoeken mensen met weinig invloed (‘cliënten’)
bescherming en gunsten bij iemand met veel invloed (‘patroon’), waar
dan weer wederdiensten tegenover staan. Dit is het zogenaamde
‘cliëntelisme’ systeem (Lawson 1980). Het cliëntelisme regelt de
betrekkingen tussen mensen met veel macht en weinig macht, in
samenlevingen waarin een democratisch bestuur en een onafhankelijk
rechtssysteem nog ontbreken. Binnen de cliëntelistische relaties is
vaak wel onderlinge loyaliteit, maar er is weinig loyaliteit ten
aanzien van vreemden of de samenleving als geheel (Barro 1999, Hyden
1983). Het cliëntelisme maakt dat alle besluitvorming in de samenleving
afhangt van persoonlijke relaties. Daarbij worden de rechtsregels
genegeerd (O’Donnell 1996), en die hebben dus maar weinig betekenis
(Kaufman 1974). Het cliëntelisme corrumpeert het politieke systeem.
Politici gebruiken de staatsfondsen om rijkdom te vergaren en hun
cliënten aan zich te verplichten, en zo hun machtsbasis te versterken.
De werkelijke politieke besluitvorming speelt zich af achter de
schermen (Brinkerhoff and Goldsmith 2002).
‘Geen bourgeoisie, geen democratie!’
Wanneer er zich een middenklasse ontwikkelt verschuift het
machtsevenwicht, en daardoor kan er een democratisch bestuur en
onafhankelijk rechtssysteem ontstaan (Anderson 1972). Moore vatte dit
samen als: ‘Geen bourgeoisie, geen democratie!’ (Moore 1966). Het
blijkt dat in landen waar een middenklasse aan het ontstaan is, het
bestuur inderdaad verbetert en de corruptie vermindert. Voorbeelden
zijn de nieuw geïndustrialiseerde landen zoals Korea en Taiwan.
Transparency International bepaalt ieder jaar de mate van corruptie, en
publiceert de corruption perception index (CPI). Die is in die landen
de afgelopen jaren behoorlijk gestegen, wat wil zeggen dat de corruptie
is verminderd, zie tabel. De meest geïndustrialiseerde landen zijn het
minst corrupt (Transparency International 1997, 2007). Zolang er geen
middenklasse is, is er geen alternatief voor het cliëntelisme systeem.
Slecht bestuur en corruptie horen dus onvermijdelijk bij arme landen.
De situatie verbetert vanzelf als die landen zich ontwikkelen.
Stijgende corruptie index CPI in de nieuwe geindustrialiseerde landen, dus dalende corruptie (TI)
Land/ CPI
|
1997 |
2007 |
| Zuid Korea |
4.3 |
5.1 |
| Taiwan |
5.1 |
5.7 |
Hong Kong
|
7.3 |
8.3 |
| Singapore |
8.7 |
9.7 |
Hulp geven om het bestuur te verbeteren
Hulp wordt vaak gebruikt om invloed op de regering te kunnen uitoefenen
en zo de kwaliteit van het bestuur te verbeteren en de corruptie te
verminderen. Maar die aanpak werkt niet,
in het algemeen heeft hulp zelfs een negatieve invloed op de kwaliteit
van het bestuur. De hulp biedt de politici namelijk uitstekende
mogelijkheden om aan veel geld te komen, en daardoor hoeven ze nog
minder rekenschap af te leggen aan de bevolking. Knack deed onderzoek
in verschillende landen en concludeerde dat een hoog niveau van hulp de
corruptie doet toenemen en de kwaliteit van het bestuur doet afnemen,
met name de kwaliteit van het uitvoerend systeem, en de mate van
rechtshandhaving. Periodes met een hoog niveau van hulp vallen vaak
samen met een slechtere kwaliteit van bestuur (Knack 1999), en met
lagere investeringen in publieke voorzieningen (Bräutigam en Knack
2004). De kwaliteit van het bestuur begint af te nemen als de hulp meer
dan 10 procent van het bruto nationaal product (BNP) bedraagt
(Bräutigam 2001), en bij meer dan 15 procent beginnen duidelijk
negatieve effecten op de ontwikkeling op te treden (Bräutigam and Knack
2004). In 2006 lag de hulp in 26 landen boven de 10 procent van het
BNP, waarvan 19 in Afrika, en in twaalf landen boven de 15 procent
(Wereld Bank 2008). Nederland droeg daar ook aan bij: het gaf hulp aan
negen landen waar de totale hulp meer dan 15 procent bedroeg. Een
voorbeeld is Mozambique, daar was de totale hulp zelfs 26 procent van
het BNP. Nederland geeft bovendien veel hulp in de vorm van geld en dat
maakt het voor de politici gemakkelijker om er een gedeelte van weg te sluizen.
Samenvattend: Slecht bestuur en corruptie zijn een logische
consequentie van het cliëntelisme systeem. Pas als er een middenklasse
ontstaat verbetert het bestuur en vermindert de corruptie. Veel hulp
geven aan slecht bestuurde landen werkt averechts. Politici trekken
zich dan nog minder aan van de behoeften van de bevolking en het
bestuur verslechtert nog meer. De Nederlandse inspanningen om via de
hulp het bestuur te verbeteren leiden dus tot niets, het wordt er
eerder slechter van.
Het bewijst maar weer eens dat ontwikkelingshulp averechts werkt
Heet is weer tijd voor een fotootje van een stevend babietje
Nieuw commentaar posten