Hoewel officiële statistieken van de ontwikkelingslanden zelf ons
anders doen geloven, kan het overgrote deel van de kinderen in Afrika
niet behoorlijk lezen en schrijven. En als ze al kunnen lezen en
schrijven draagt het voor arme kinderen niet bij aan het verwerven van
een inkomen.
Volgens een VN rapport uit 2003 doorloopt slechts een derde van alle
kinderen in Afrika de hele lagere school (VN 2003). Het aantal kinderen
dat naar school gaat is sindsdien flink toegenomen, dus het zal nu iets
meer zijn, circa 40 procent. Dat het er maar zo weinig zijn komt omdat
lang niet alle ingeschreven kinderen daadwerkelijk naar school gaan, en
omdat veel kinderen de school vroegtijdig verlaten. Daar komt bij dat
de kwaliteit van het onderwijs vaak bedroevend is. Enkele voorbeelden:
in Ghana is de leesvaardigheid van maar 10 procent van de kinderen in
de hoogste klas op het niveau van kinderen in Europa (Kraft 2003). In
Zambia slaagt slechts een kwart van de kinderen die de lagere school
hebben doorlopen voor een simpele lees en schrijf test (VN 2005a). Van
het geringe deel dat de school afmaakt kan maar een heel klein gedeelte
goed lezen en schrijven. De overgrote meerderheid van de kinderen leert
het slechts gebrekkig.
Dat is heel iets anders dan de statistieken van de ontwikkelingslanden
zelf ons doen geloven, volgens welke het grootste deel van de bevolking
kan lezen en schrijven: 62 procent van de volwassenen in Afrika, en 79
procent in alle ontwikkelingslanden (UNESCO 2009, gegevens uit de
periode 2000 - 2006). Voor jongeren tussen 15 en 24 jaar zou het zelfs
71 procent en 87 procent zijn.
Ook de ouders spelen een rol als het gaat om niet naar school gaan of
het niet afronden van de lagere school. Ze zien het nut van het
onderwijs niet in omdat het de kinderen niet verder helpt (Bergman
2002; Freeman en Dohoo Faure 2003). De school kost hen echter wel geld
(schoolgeld, schriften, vaak ook uniformen). De school zorgt er
bovendien voor dat de kinderen niet op het land kunnen helpen of ander
werk kunnen doen, wat voor hen een veel directer en zinvoller
‘resultaat’ oplevert (TADREG 1993). Voor kinderen uit arme families is
lager onderwijs vrijwel nutteloos. Het is dan ook begrijpelijk dat
kinderen uit arme gezinnen vaak de lagere school niet afmaken en al
jong aan het werk gaan (VN 2003). Van een vervolgopleiding is al
helemaal geen sprake, want dat is duur en het werk gaat voor (VN
2005a). Het werk waar ze in terecht komen is vrijwel altijd praktisch
en de communicatie is bijna uitsluitend mondeling. Het beetje lezen en
schrijven dat ze hebben geleerd, helpt ze nauwelijks om een inkomen te
verdienen.
De laatste jaren gaat er veel hulp naar lager onderwijs, maar de hulp
zorgt niet voor een duurzame oplossing, ook al is dat onderwijs nu vaak
gratis. Er gaan nu weliswaar veel meer kinderen naar school, maar
indien de hulp stopt, houdt dat direct op omdat er weer schoolgeld moet
worden betaald. Net als in
het geval van watervoorziening en gezondheidszorg is lager onderwijs
voor de armen daarom niet duurzaam.
Samenvattend : lager onderwijs leert arme kinderen vrijwel niets waar
ze geld mee kunnen verdienen. Bovendien is het voor de armen niet meer
toegankelijk wanneer de hulp stopt.
Nieuw commentaar posten