Van dieren - en trouwens ook van planten - kan een mens op verschillende wijzen genieten. Men kan hen verorberen, men kan hen verwerken tot leer of pels, of andere producten zoals (vroeger) mierenzuur of purper, maar ook kan men hen gebruiken om de menselijke behoefte tot affectie te bevredigen. Zo kan men dieren vertroetelen in plaats van hen te braden want de mens vindt het heerlijk zich goedgunstige meester te voelen en soms lukt dit gemakkelijker t.o.v. dieren als t.o.v. mensen. Vanuit deze natuurlijke aanleg van de mens kan men, als men toch al genoeg te eten heeft, eieren uitbroeden tot schattige kuikentjes en parkietjes bevorderen tot gezelschapshuisraad. Cultuurvolkeren die zover zijn gevorderd op de weg van economische vooruitgang dat zij verleerd hebben honden en paarden met hongerige blik te bekijken plegen helaas erg neer te zien op culturen die het economisch nog niet zo ver geschopt hebben. Soms gaat deze minachting zo ver dat die achterlijke bevolkingen met missionaire ijver openbaar aan de kaak gesteld worden.
Curieus wordt de redengeving voor het hogere ethische standpunt als de uitverkorenen zeggen zich te baseren op de Wet van Moeder Aarde of van de Natuur. Als méér dan curieus moeten wij de kans aanslaan dat uit dat ethische standsverschil de rechtvaardiging van geweldpleging wordt geconstrueerd. De logica is dan trouwens zoek: als de Natuur al iets zou willen is dat lijden en dood. Het behoort tot de natuurlijke rol van elk levend wezen dat het wordt misbruikt en mishandeld en uiteindelijk geslachtofferd. Dit is voor vele mensen vaak om gevoelsredenen al moeilijk, maar helemaal onverteerbaar wordt het als er (andere) mensen op kunnen worden aangekeken. Pas dan wordt het immoreel. De natuur niet, maar andere mensen horen zich net als wijfatsoenlijk te gedragen. En zo heeft zich een nieuwe ‘fatsoensrakkerij’ aangediend voor onze tijd.
Ton Ahsmann
october 2003

Nieuw commentaar posten