draak-tiran

Door Nick Bostrom

Nick Bostrom is hoogleraar aan de Oxford Universiteit. Zijn website is hier. Dit verhaal verscheen eerder in het Journal of Medical Ethics, 2005, Vol. 31, No. 5, p. 273-277 

 

Een PDF van dit verhaal staat hier

De Fabel van de Draak-Tiran

Er was eens een draak die een hele planeet terroriseerde. Hij was groter dan de grootste kerk en was bedekt met dikke, zwarte schubben. Zijn rode ogen gloeiden van haat en uit zijn verschrikkelijke bek stroomde onophoudelijk stinkend, geelgroen slijm. Hij eiste van de mens een ijzingwekkend eerbetoon: om zijn enorme honger te stillen, moesten er dagelijks bij het vallen van de duisternis tienduizend mannen en vrouwen aan de voet van de berg, waar de Draak-Tiran woonde, afgeleverd worden. Soms slokte de draak deze arme zielen meteen op; soms liet hij ze eerst maanden of zelfs jaren wegkwijnen in gevangenschap om ze pas daarna te verslinden. 

De ellende die de Draak-Tiran teweegbracht, was onvoorstelbaar. Bovendien lieten de tienduizend mensen die iedere dag weer wreed afgeslacht werden, vele moeders, vaders, vrouwen, mannen, kinderen en vrienden achter die het verlies van hun geliefden beweenden.

Sommigen poogden de draak te bevechten, maar of ze nu moedig of dwaas waren, was moeilijk te zeggen. Priesters en tovenaars beproefden toverspreuken uit, maar die bleken krachteloos.  Moedige krijgers, voorzien van de beste wapens die de smeden konden maken vielen de draak aan, maar ze werden al verbrand voordat ze in de buurt kwamen. Apothekers brouwden giftige drankjes en verleidden de draak om ze te drinken, maar diens honger leek er eerder door toe te nemen. De klauwen, de kaken en het vuur van de draak waren zo indrukwekkend, zijn schild van schubben was zo ondoordringbaar en zijn hele karakter was zo vastbesloten dat hij onverslaanbaar leek.

De mensen zagen dit en concludeerden dat ze geen andere keus hadden dan te gehoorzamen en de gruwelijke prijs te betalen. De slachtoffers waren altijd ouderen, ondanks het feit dat die net zo vitaal en gezond waren als  jongeren, en soms wijzer. De gedachte erachter was dat zij tenminste al een paar decennia van het leven hadden kunnen genieten. De rijken kochten de ronselaars die hen kwamen halen om, maar kregen toch maar beperkt uitstel, want volgens het staatsrecht kon niemand, zelfs de koning niet, zijn beurt ontlopen.

Geestelijken probeerden degenen die bang waren om door de draak opgegeten te worden (dus bijna iedereen, hoewel velen het in het openbaar ontkenden), te troosten door hen een ander leven na de dood in het vooruitzicht te stellen. Een leven dat vrij zou zijn van de kwellingen van de draak. Anderen oreerden dat de draak een plaats had in het natuurlijke systeem en een moreel recht had op voedsel. Zij zeiden dat het juist een deel van de reden van het menselijk bestaan was om te eindigen in de buik van de draak. Nog anderen zeiden dat de draak goed was voor de mens omdat hij het bevolkingsaantal beperkt hield. In hoeverre deze argumenten de piekerende mens overtuigden, is niet bekend. De meeste mensen probeerden ermee om te gaan door gedachten aan het onvermijdelijk lugubere einde te verdringen.

Eeuwenlang hield deze uitzichtloze situatie stand. Niemand kende meer het totale aantal slachtoffers en niemand realiseerde zich hoeveel tranen er gelaten waren door de achterblijvers. Men had zich geschikt en de Draak-Tiran was een onderdeel van het leven geworden. Er werden geen pogingen meer ondernomen om de draak te doden, in plaats daarvan deed men er nu alles aan hem tevreden te stellen. Het monster plunderde zo nu en dan de steden, maar door te zorgen dat het dagelijkse quotum leven punctueel bij de berg werd afgeleverd, nam de frequentie van deze strooptochten af.

Omdat mensen wisten dat hun beurt om drakenvoedsel te worden steeds dichterbij kwam, kregen ze eerder en vaker kinderen. Het was niet ongewoon als een meisje op haar zestiende verjaardag al in verwachting was. Stellen kregen vaak wel twaalf kinderen. De menselijke bevolking kromp dus niet en de draak hoefde geen honger te lijden.

De draak werd goed gevoed en daarom was hij in de loop van de eeuwen  bijna zo groot geworden als de berg waarop hij leefde. En zijn eetlust was navenant toegenomen. Tienduizend lichamen waren niet langer genoeg om zijn maag te vullen. Hij had er nu tachtigduizend nodig - iedere avond weer.

De koning van het land had zijn handen vol aan de logistiek van het iedere dag verzamelen en vervoeren van zoveel mensen naar de berg. Dit was geen eenvoudige taak.

Om het proces te vereenvoudigen, had hij een spoorweg laten bouwen: twee rechte lijnen van glinsterend staal die naar het verblijf van de draak leidden. Iedere twintig minuten stopte daar een volle trein om vervolgens leeg weer terug te gaan. Tijdens maanverlichte nachten konden de ‘reizigers door de ramen het dubbele silhouet zien van de draak en de berg en de twee gloeiende rode ogen, die als stralen van gigantische vuurtorens de weg wezen naar het einde.

De koning had veel dienaren om dit alles in ordelijke ambtelijke banen te geleiden. Administrateurs hielden bij wie er aan de beurt was voor een enkele reis, collecteurs gingen in speciale karretjes op pad om de aangewezenen op te halen. Zij brachten hen, vaak in razende vaart, naar een station of rechtstreeks naar de berg. Klerken betaalden de pensioenen uit aan uitgedunde families die zichzelf niet langer konden onderhouden. Troosters reisden met de gedoemden mee op weg naar de draak, ze probeerden hun leed te verzachten met drank en drugs.

Er was zelfs een groep drakologen die bestudeerden hoe deze logistieke processen efficiënter zouden kunnen verlopen. Sommige van hen onderzochten ook de fysiologie en het gedrag van de draak en verzamelden monsters – zijn uitgevallen schubben, het slijm dat uit zijn bek liep, zijn verloren tanden en zijn uitwerpselen met daarin kleine stukjes menselijk bot. Het werd allemaal nauwkeurig beschreven en gearchiveerd en hoe meer er bekend werd over het beest, des te duidelijker werd zijn onoverwinnelijkheid. Zijn zwarte schubben waren harder dan welk materiaal ook en het leek onmogelijk om er ook maar één kras op te maken. 

De koning legde zijn volk zware belastingen op om deze activiteiten te kunnen betalen. Draakgerelateerde uitgaven, die al een zevende van de economie uitmaakten, groeiden zelfs sneller dan de draak zelf.

De mens is een eigenaardig wezen. Soms krijgt er één een goed idee. Anderen nemen dit idee over en voegen er hun eigen verbeteringen aan toe. Zo begon het vliegwiel van de ontwikkeling dat in vroeger tijden nagenoeg had stilgestaan steeds sneller te draaien. Er kwamen thermometers, microscopen, stoommachines, elektrisch licht, en volgens sommige wijzen zou de mens zelfs ooit kunnen vliegen.

Een van die wijze mannen, die in zeer hoog aanzien stond maar wiens zonderlinge gewoontes van hem een verschoppeling en kluizenaar hadden gemaakt, ging zelfs zo ver te suggereren dat de technologie het ooit mogelijk zou maken een constructie te bouwen waarmee de Draak-Tiran gedood zou kunnen worden.

De geleerden van de koning verwierpen deze ideeën echter. Zij zeiden dat de mens veel te zwaar was om te vliegen en dat hij om te beginnen al geen veren had. En wat betreft de onnozele gedachte dat de Draak-Tiran gedood zou kunnen worden….. stonden de geschiedenisboeken niet vol met honderden pogingen daartoe en waren die niet allemaal mislukt? ‘Wij weten allemaal dat deze man een paar onverantwoordelijke ideeën had’, schreef een geleerde in letteren later toen de drieste voorspeller inmiddels zelf ook drakenvoedsel was geworden. ‘Maar zijn geschriften waren vermakelijk en misschien moeten we ook de draak dankbaar zijn dat hij het interessante literaire genre van het strijden tegen hem, dat zoveel van onze angstcultuur blootgeeft, mogelijk heeft gemaakt!’

Enkele decennia later kon de mens vliegen en had hij vele andere verbazingwekkende dingen gerealiseerd. Onder drakologen begon een schuchtere discussie over een mogelijke nieuwe aanval op de Draak-Tiran. Het doden van het monster zou niet eenvoudig zijn, zeiden zij, maar als ze een materiaal zouden kunnen ontwikkelen dat harder was dan het schild van de draak en als daarvan een soort projectiel kon worden gemaakt, dan, dan…zou het misschien lukken. Eerst werden deze suggesties verworpen omdat een dergelijk materiaal eenvoudigweg niet bestond. Maar na jarenlang aan het probleem te hebben gewerkt, slaagde één van de drakologen erin een materiaal te ontwikkelen waarmee een schub van de draak kon worden doorboord. Het enthousiasme onder drakologen over de mogelijkheid van een aanval op de draak nam zienderogen toe. Ingenieurs berekenden dat een enorm projectiel van dit materiaal, mits met voldoende kracht afgeschoten, het schild van de draak zou kunnen doorboren. Het produceren van het benodigde materiaal zou echter heel duur zijn.

Enkele eminente ingenieurs en drakologen stuurden een verzoek naar de koning om de constructie van het antidraakprojectiel te financieren. Maar de koning was juist druk met het aanvoeren van zijn leger in een oorlog tegen een tijger. Die had een boer vermoord en was daarna in het oerwoud verdwenen. Overal op het platteland was men bang dat de tijger terug zou komen en weer zou toeslaan. De koning had het oerwoud omsingeld en zijn troepen bevolen zich er een weg door te banen.

Aan het einde van deze campagne maakte de koning bekend dat alle 163 tijgers in het oerwoud, inclusief de moordlustige, opgejaagd en gedood waren. In het tumult van de oorlog was het verzoek om financiering van het anti-drakenwapen echter kwijtgeraakt of vergeten.

Het verzoek werd herhaald en dit keer antwoordde de secretaris van de koning dat hij het verzoek in overweging zou nemen, althans nadat hij klaar was met het controleren van het jaarbudget van de draakadministratie. Het budget van dit jaar was het grootst tot nu toe en omvatte ook de financiering van een nieuwe spoorweg naar de berg. Die was nodig omdat de draak inmiddels honderdduizend mensen per dag verslond. Toen het budget eindelijk was goedgekeurd, kwamen er berichten uit een afgelegen dorp werd geteisterd door ratelslangen en wederom moest de koning op pad om deze dreiging in te tomen. Het verzoek van de drakendoders verdween in een la van een stoffige kast in de kelder van het paleis.

De drakendoders kwamen weer bij elkaar voor verder overleg. Ze discussieerden tot diep in de nacht toen ze uiteindelijk besloten om de zaak aan het volk voor te leggen. In de weken die volgden, reisden ze door het land en legden hun voorstel uit aan iedereen die wilde luisteren. In het begin waren de mensen sceptisch. Op school hadden ze geleerd dat de Draak-Tiran niet te verslaan was en dat het offer dat hij vroeg ‘normaal’ was. Toen ze echter hoorden over het nieuwe samengestelde materiaal en het ontwerp van het projectiel zagen, werden ze nieuwsgierig. In steeds grotere getale kwamen ze naar de lezingen van de drakendoders. Er ontstond een volksbeweging ter ondersteuning van het voorstel.

Toen de koning hierover in de krant las, vroeg hij de mening van zijn adviseurs. Zij vertelden over de verzoeken die ingediend waren, maar noemden de drakendoders oproerkraaiers die onrust zaaiden onder de mensen. Het was beter voor de samenleving, zeiden ze, als de mensen het onvermijdelijke offer aan de Draak-Tiran zouden blijven accepteren. De draakadministratie leverde veel banen op die verloren zouden gaan als de draak gedood werd. Er zou voor de samenleving niets goeds van komen als de draak zou worden verslagen. In ieder geval was de schatkist van de koning bijna leeg na de militaire campagnes tegen de tijger en de slangen en de financiering van de tweede spoorweg.

De koning, die op dat moment een grote populariteit genoot omdat hij de ratelslangen en de tijgers verslagen had, vreesde voor het afnemen van zijn populariteit als hij het verzoek van de drakendoders zou negeren en besloot daarom een openbare hoorzitting te houden. Belangrijke drakologen, ministers en geïnteresseerden werden uitgenodigd.

De bijeenkomst vond plaats op de donkerste dag van het jaar, net voor de kerstdagen. De grootste zaal van het koninklijk paleis zat helemaal vol en de mensen stonden in de gangpaden. De sfeer was geladen alsof het een cruciale oorlogsbespreking betrof.

Nadat de koning iedereen had verwelkomd, gaf hij het woord aan de belangrijkste wetenschapper achter het voorstel van de drakendoders, een vrouw met een serieuze, bijna strenge uitdrukking op haar gezicht. Zij legde in heldere taal uit hoe het apparaat zou werken en hoe de benodigde hoeveelheid samengesteld materiaal geproduceerd zou worden. Met de aangegeven financiering zou het mogelijk zijn het werk in vijftien tot twintig jaar te voltooien. Met een nog groter bedrag zou het zelfs binnen twaalf jaar kunnen. Er kon echter niet met zekerheid gezegd worden dat het zou werken. Het publiek volgde gespannen haar uiteenzetting.

De volgende spreker was de hoofdadviseur van de koning voor moraal, een man met een bulderende stem die de zaal met gemak vulde:

‘Laten we aannemen dat deze vrouw gelijk heeft wat betreft de kennis en dat het project technologisch mogelijk is, hoewel dit volgens mij niet daadwerkelijk bewezen is. Het is haar wens dat we ons bevrijden van de draak. Vermoedelijk vindt zij dat ze het recht heeft niet opgegeten te worden door de draak. Hoe eigenzinnig en arrogant. De eindigheid van het menselijk leven is een zegen voor ieder mens, of hij het nu weet of niet. Het doden van de draak lijkt misschien goed maar het zou onze menselijke waardigheid ondermijnen. Als we ons alleen bezighouden met het doden van de draak, zal dat ons afleiden van de volledige realisatie van de aspiraties waar ons leven vanzelfsprekend naar wijst, dat is goed te leven in plaats van alleen in leven te blijven. Het is vernederend, ja vernederend, als een mens zo lang mogelijk zijn middelmatige leven wil blijven leven zonder zich bezig te houden met enkele van de hogere vragen over waar het leven voor dient. Maar ik zeg u, het is de aard van de draak om mensen te eten en onze eigen aard wordt oprecht en groots vervuld door door hem opgegeten te worden…’ Het publiek luisterde met respect naar deze hooggeplaatste spreker. Zijn zinnen waren zo welsprekend dat er wel diepere gedachten achter moesten zitten, hoewel niemand er achter kon komen welke dat waren.

De volgende spreker was een wijze man die alom gerespecteerd werd om zijn vriendelijke en zachte aard, maar toen hij naar het podium liep, schreeuwde een jongetje uit het publiek:

De draak is slecht!’

De ouders van het jongetje werden vuurrood en probeerden het kind tot stilte te manen. Maar de wijze man zei:

‘Laat hem praten. Hij is waarschijnlijk wijzer dan een oude gek als ik.’

Eerst was het jongetje te bang en te verward om zich te bewegen. Maar toen zag hij de vriendelijke glimlach op het gezicht van de wijze man en volgde hem naar het podium.

‘Dit is een heel dapper mannetje’, zei de wijze man, ‘ben jij bang voor de draak?’

‘Ik wil mijn oma terug’, zei het jongetje.

‘Heeft de draak jouw oma weggenomen?’

‘Ja’, zei het jongetje terwijl er tranen in zijn grote, bange ogen sprongen.

‘Oma had beloofd dat ze me zou leren speculaasjes te bakken voor kerst. Ze zei dat we een klein huisje van speculaas zouden maken en kleine poppetjes van speculaas die er konden wonen. Toen kwamen die mensen in witte kleren en die namen oma mee naar de draak… De draak is slecht en eet mensen op… Ik wil mijn oma terug!’

Nu huilde het kind zo hard dat de wijze man hem naar zijn ouders terug moest brengen.

Er waren die avond nog enkele sprekers, maar de eenvoudige getuigenis van het jongetje had de retorische ballon die de ministers van de koning probeerden op te laten doorgeprikt. De mensen waren het eens met de drakendoders en aan het eind van de avond was zelfs de koning overtuigd van de redelijkheid en menselijkheid van hun motief. Hij zei eenvoudigweg:

‘Laten we het doen!’

Toen het nieuws zich verspreidde, vierden de mensen feest op straat. Zij die campagne hadden gevoerd voor de drakendoders, klonken en dronken met elkaar op de toekomst van de mensheid.

De volgende ochtend werd een miljard mensen wakker in het besef dat hun beurt zou komen om aan de draak gevoerd te worden nog voordat het projectiel klaar zou zijn. Er was een keerpunt bereikt. Tot dan werd de zaak van de drakendoders vooral actief ondersteund door een kleine groep zieners, nu werd het de belangrijkste prioriteit van iedereen. De abstracte notie van de ‘algemene wens’ nam nu een bijna tastbare intensiteit en concreetheid aan. Massabijeenkomsten werden gehouden om geld op te halen voor het projectielproject en er was druk op de koning voor meer ondersteuning. De koning ging in op deze verzoeken. In zijn nieuwjaarsrede kondigde hij aan dat hij een extra wet zou aannemen om het project te steunen met grotere geldbedragen. Daarnaast zou hij zijn zomerpaleis en wat land verkopen en een grote persoonlijke gift doen.
‘Ik vind dat dit land zich moet inzetten om het doel te bereiken voordat dit decennium voorbij is, om de wereld te bevrijden van de aloude kwelling van de Draak-Tiran.’
Dus begon een grote technologische race tegen de klok. Het concept van een antidraakprojectiel was eenvoudig, maar de realisering ervan vereiste vele tijdrovende stappen en misstappen nodig. Proefraketten werden afgevuurd maar vielen op de grond of gingen de verkeerde kant op. In een tragisch ongeluk kwam een dwalende raket op een ziekenhuis terecht waardoor enkele honderden patiënten en personeelsleden gedood werden. Maar nu werd men gedreven door een serieus doel en gingen de proeven door, zelfs toen de lichamen uit het puin werden gehaald.

Ondanks de bijna ongelimiteerde geldstroom en het feit dat de technici bijna dag en nacht werkten, kon de deadline van de koning niet gehaald worden. De tien jaar waren voorbij en de draak was nog steeds gezond en levend.

Maar het einde kwam steeds meer in zicht. Een prototype van het projectiel werd met succes afgevuurd. De productie van de kern, gemaakt van het dure samengestelde materiaal, lag op schema en zou klaar zijn samen met het volledig geteste omhulsel waarin hij gestopt moest worden. De lanceerdatum werd vastgesteld op de avond van Oud en Nieuw van het volgende jaar, precies twaalf jaar na de officiële huldiging van het project.

Het meest verkochte kerstcadeau dat jaar was een kalender die de dagen terugtelde tot nul. De opbrengst van de verkoop ging naar het projectielproject.

De koning had een persoonlijke transformatie ondergaan en was zo vaak als hij kon te vinden in de laboratoria en de fabrieken waar hij de werkers aanmoedigde en hun inzet prees. Soms nam hij een slaapzak mee en bracht hij de nacht door op de grond in een luidruchtige fabriek. Hij studeerde zelfs en probeerde de technische aspecten van hun werk te begrijpen. Maar hij beperkte zich tot het geven van morele ondersteuning en hield zich niet bezig met de technische en bestuurlijke kwesties.

Zeven dagen voor Nieuwjaar vroeg de vrouw, die bijna twaalf jaar eerder voor het project had gepleit en nu de hoogste baas was, dringend om audiëntie bij de koning. Deze verontschuldigde zich bij zijn buitenlandse gasten en haastte zich naar het privévertrek waar de wetenschapster op hem wachtte. Zoals altijd de laatste tijd zag zij bleek en uitgeput vanwege haar lange werktijden, maar die avond dacht de koning ook een glimp van opluchting en tevredenheid in haar ogen te kunnen ontdekken.

Zij vertelde hem dat het projectiel was opgesteld en dat de kern geladen was. Alles was drie keer gecontroleerd en zij waren klaar voor de lancering. Wilde de koning zijn uiteindelijke goedkeuring geven? De koning zakte in zijn leunstoel en sloot zijn ogen.

Door het projectiel vanavond, een week eerder, af te vuren, zouden zevenhonderdduizend mensen gered kunnen worden. Maar als hij zijn doel zou missen en in plaats daarvan de berg zou raken, zou dat een ramp betekenen. Een nieuwe kern zou dan weer helemaal opnieuw gemaakt moeten worden en het project zou dan met zo’n vier jaar uitgesteld worden. Hij zat bijna een uur lang helemaal stil. Net toen de wetenschapster dacht dat hij in slaap was gevallen, opende hij zijn ogen en zei met een vaste stem: ‘Nee. Ik wil dat je terug gaat naar het laboratorium. Ik wil dat je alles controleert en nog eens controleert.’ De wetenschapster kon een zucht niet onderdrukken, maar knikte en vertrok.

Op de laatste dag van het jaar was het koud en bewolkt, maar er was geen wind, wat duidde op goede lanceeromstandigheden. De zon ging onder. De technici schuifelden rond en controleerden alles nog eens. De koning en zijn dichtste adviseurs keken toe vanaf een platform dicht bij de lanceerplek. Verder weg stonden, achter een hek, grote menigten die deze grote gebeurtenis wilden meemaken. Een grote klok telde terug: nog vijftig minuten.

Een adviseur tikte de koning op zijn schouder en vestigde zijn aandacht op het hek. Er was enig tumult. Iemand was blijkbaar over het hek gesprongen en rende in de richting van het platform waar de koning zat. De bewakers hadden hem snel te pakken. Hij werd geboeid en weggeleid. De koning richtte zijn aandacht weer op de lanceerplek en op de berg op de achtergrond. Ervoor kon hij het profiel van de draak onderscheiden. Hij was aan het eten.


Zo’n twintig minuten later was de koning verrast de geboeide man op korte afstand van het platform te zien. Zijn neus bloedde en hij werd begeleid door twee bewakers. De man leek uitzinnig. Toen hij de koning zag, begon hij hard te roepen:

‘De laatste trein! De laatste trein! Stop de laatste trein!’


‘Wie is deze jongeman?’, vroeg de koning.

‘Zijn gezicht komt me bekend voor, maar ik kan hem niet plaatsen. Wat wil hij? Laat hem hier komen.’

De jongeman was een jongere bediende bij het ministerie van vervoer, de reden van zijn onrust was dat hij had ontdekt dat zijn vader aan boord van de laatste trein naar de berg zat. De koning had bevolen de treinen door te laten rijden omdat hij bang was dat de draak, als er iets ongewoons zou gebeuren van zijn vaste plek - waar het projectiel op was gericht - zou verdwijnen. De jongeman smeekte de koning om de laatste trein, die vijf minuten voor de lancering bij de berg zou aankomen, niet te laten rijden.

‘Dat kan ik niet’,zei de koning, ‘dat risico kan ik niet nemen.’

‘Maar de treinen hebben vaak vijf minuten vertraging. Het zal de draak niet opvallen! Alstublieft!’

De jongeman knielde voor de koning en smeekte hem om het leven van zijn vader en dat van de andere duizend passagiers aan boord van de laatste trein te redden.
De koning keek neer op het smekende, bebloede gezicht van de jongeman. Maar hij beet op zijn lip en schudde zijn hoofd. De jongeman bleef, zelfs toen de bewakers hem van het platform droegen, smeken:

‘Alstublieft! Stop de laatste trein! Alstublieft!’

De koning stond stil en bewegingsloos totdat na een tijdje het smeken plotseling ophield. De koning keek naar de terugtelklok: nog vijf minuten.

Vier minuten. Drie minuten. Twee minuten.

De laatste technicus verliet de lanceerplek.

30 seconden. 20 seconden. Tien, negen, acht…

Toen een vuurbal de lanceerplek bedekte en het projectiel naar voren schoot, gingen de toeschouwers instinctief op hun tenen staan en keken ze naar de voorkant van de witte vlam die uit de raket kwam die naar de berg in de verte schoot. De menigte, de koning, de jonge en de oude mensen, het was alsof zij op dit moment een bewustzijn deelden, een enkele ervaring: die witte vlam, bewegend door het duister, vertegenwoordigde de menselijke geest, zijn angst en zijn hoop… gericht op het hart van het kwaad. Het silhouet aan de horizon helde over en viel om. Duizenden stemmen van puur geluk rezen vanuit de menigte omhoog en werden seconden later gevolgd door een oorverdovende klap van het omgevallen monster. Alsof de aarde een zucht van verlichting slaakte. Na eeuwen van onderdrukking was de mensheid eindelijk bevrijd van de wrede tirannie van de draak.

Het gegil ging over in blij geroep:

‘Lang leve de koning! Lang leve wij allemaal!’

De adviseurs van de koning waren, net als iedereen die avond, zo blij als kinderen. Ze omarmden elkaar en feliciteerden de koning:

‘Het is gelukt! Het is gelukt!’

Maar de koning antwoordde met een gebroken stem:

‘Ja, het is gelukt, we hebben vandaag de draak gedood. Maar waarom zo verdomd laat? Dit hadden we vijf misschien wel tien jaar eerder kunnen doen! Dan zouden miljoenen mensen nog leven.’

De koning stapte van het platform af, liep naar de geboeide jongeman die op de grond zat en viel naast hem neer,

‘Vergeef me! O mijn God, vergeef me alsjeblieft!’

Het begon te regenen, met grote, zware druppels. De grond werd modderig. De paarse kleren van de koning raakten doorweekt. Het bloed op het gezicht van de jongeman spoelde weg.

‘Het spijt mij zo van je vader’, zei de koning.

‘Het is niet uw schuld’, antwoordde de jongeman.

‘Weet u nog twaalf jaar geleden in het paleis? Dat huilende kleine jongetje dat wilde dat u zijn oma weer terug zou brengen – dat was ik. Ik wist toen niet dat u niet kon doen wat ik u vroeg. Vandaag wilde ik dat u mijn vader zou redden. Ja, dat was onmogelijk zonder de lancering in gevaar te brengen. Maar u hebt mijn leven gered en dat van mijn moeder en zus. Hoe kan ik u ooit bedanken hiervoor?’

‘Luister naar hen’, zei de koning en gebaarde naar de menigte.

‘Zij bejubelen mij om wat er vanavond gebeurd is. Maar jij bent de held. Jij liet van je horen. Jij hebt ons gered van het kwaad.’

De koning gebaarde naar een bewaker om de handboeien te verwijderen.

‘Ga nu naar je moeder en je zus. Jij en je familie zijn altijd welkom aan het hof en alles wat je maar wenst – binnen mijn macht - zal ik je geven.’

De jongeman ging weg en het koninklijke gevolg, opeengepakt in de regen, verzamelde zich om hun vorst die nog in de modder knielde. Tussen de mooie kleding, die geruïneerd werd door de regen, vertoonde een stel bepoederde gezichten een mengeling van geluk, opluchting en verwarring. In het afgelopen uur was er zoveel veranderd: het recht op een open toekomst was herwonnen, een fundamentele angst was verdwenen en vele, eeuwenoude veronderstellingen waren omvergeworpen. Onzeker van wat er van hen in deze onbekende situatie verwacht werd, stonden ze daar wat onwennig. Alsof ze uitprobeerden of de grond ze nog kon houden. Ze wisselden blikken en wachtten op een soort teken.

Uiteindelijk stond de koning op en wreef zijn handen af aan zijn broek.

‘Uwe majesteit, wat moeten we nu doen?’, vroeg een oude hoveling.

‘Mijn lieve vrienden’, zei de koning, ‘we zijn van ver gekomen… maar onze reis is nog maar net begonnen. Ons soort is nog maar net op deze aarde. Vandaag zijn we net kinderen. De toekomst ligt voor ons. Wij zullen deze toekomst tegemoet gaan en het proberen beter te doen dan in het verleden. Nu hebben we de tijd – tijd om alles goed te doen, tijd om volwassen te worden, tijd om van onze fouten te leren, tijd voor het langzame proces om een betere wereld te maken en tijd om erin te leven. Laat vanavond alle klokken in het koninkrijk luiden tot middernacht, ter nagedachtenis aan onze dode voorvaderen en laat ons dan na middernacht feestvieren tot de zon opkomt. En in de komende dagen… denk ik dat we wat moeten reorganiseren!’

 

de fabel van de gemene draak is ook goed toepasbaar op het CO2 monster. ook daaraan sterven miljoenen mensen in ontwikkelingslanden omdat die geen CO2 rechten hebben, of hier omdat er meer geld aan de CO2 gkte besteed wordt dan aan levensreddende medicijnen.
Leuk verhaal dat doet denken aan de Nieuwe Kleren van de Keizer. Maar levensechter. Het eind van dat sprookje van Andersen deugt namelijk niet. In werkelijkheid zou het jongetje dat had geroepen dat de keizer naakt liep, door agenten van de geheime dienst van de keizer snel zijn afgevoerd. “Alle mensen” die in het sprookje plotseling ook de mening van het jongetje ventileerden, hadden wijselijk hun mond gehouden en alles was gewoon doorgegaan.Hier komt de koning aan het eind tot de conclusie “dat we wat moeten reorganiseren”. Dat geeft de burger moed.

Nieuw commentaar posten

De inhoud van dit veld is privé en zal niet publiekelijk getoond worden.
  • Adds typographic refinements.
  • Adressen van webpagina's en e-mailadressen worden automatisch naar links omgezet.
  • Web page addresses and e-mail addresses turn into links automatically. (Better URL filter.)
  • Glossary terms will be automatically marked with links to their descriptions. If there are certain phrases or sections of text that should be excluded from glossary marking and linking, use the special markup, [no-glossary] ... [/no-glossary]. Additionally, these HTML elements will not be scanned: a, abbr, acronym, code, pre.

Meer informatie over formaatmogelijkheden

MORAAL

Verhalen over ouder worden zijn traditioneel gericht op de behoefte om zonder gebreken oud te worden. De aanbevolen oplossing voor de verminderde vitaliteit en de naderende dood was altijd: berust erin en zorg dat je je zaken netjes achterlaat. Gezien het feit dat er niets gedaan kan worden om het ouder worden te voorkomen of vertragen, was dit reëel. In plaats van te piekeren over het onvermijdelijke, kan men zich beter richten op gemoedsrust.

De situatie is nu anders. Hoewel er nog immer geen doeltreffende en acceptabele manier bestaat om het verouderingsproces te vertragen [1], kunnen we wel onderzoek opstarten dat kan leiden tot het ontwikkelen van dergelijke middelen in de nabije toekomst. ‘Dood=goed’- verhalen en ideologieën die uitgaan van passieve aanvaarding, zijn niet langer onschuldige bronnen van troost. Het zijn fatale barrières waar snel iets tegen gedaan moet worden.

Veel gerenommeerde technologen en wetenschappers vertellen ons dat het mogelijk zal zijn om beginnende ouderdom bij mensen te vertragen en uiteindelijk stop te zetten en om te keren.[2] Op dit moment is men het niet eens over de tijdspanne of de specifieke middelen. Er is ook geen overeenstemming over het feit of het doel in principe haalbaar is. Met betrekking tot de fabel (waar het ouder worden, natuurlijk, wordt vertegenwoordigd door de draak), bevinden wij nu dus ergens tussen de fase waarin de wijze man voorspelt dat de draak uiteindelijk gedood zal worden en die waarin de iconoclastische drakologen hun collega’s overtuigen door een materiaal te tonen dat harder is dan de schubben van de draak.

Het ethische argument van de fabel is simpel. Er zijn duidelijke en krachtige morele redenen voor de mensen in de fabel om de draak te doden. Onze situatie met betrekking tot de beginnende ouderdom van de mens komt overeen met en is ethisch gelijk aan de situatie van de mensen in de fabel met betrekking tot de draak. We hebben daarom sterke morele redenen om beginnende ouderdom uit te bannen.

Het argument is niet per se gericht op het verlengen van het leven. Een aantal extra jaren gevuld met ziekte en zwakte aan het einde van het leven zou nutteloos zijn. Het argument is erop gericht om de gezondheid van de mens zo lang mogelijk te rekken. Door het verouderingsproces te vertragen of te stoppen, zou de gezondheid van de mens verlengd worden. Mensen zouden dan gezond, vitaal en productief blijven op leeftijden waarop ze anders dood zouden zijn.

Naast deze algemene moraal is er een aantal specifiekere lessen:

(1) Een terugkerende tragedie werd een onontkoombaar feit, een statistiek. In de fabel pasten de verwachtingen van de mensen zich aan het bestaan van de draak aan. Zelfs zo sterk dat ze zijn slechtheid niet meer zagen. Het ouder worden is ook een onontkoombaar feit geworden – ondanks dat het de hoofdoorzaak is van een onmetelijke hoeveelheid menselijk leed en dood.

(2) Een statische opinie over technologie. Mensen beredeneerden dat het nooit mogelijk zou zijn om de draak te doden omdat alle pogingen in het verleden gefaald hebben. Zij zien het versnellende technologische proces over het hoofd. Zal een zelfde soort fout ervoor zorgen dat wij de kans dat ouderdom genezen wordt, ondergewaardeerd blijft?

(3) Besturing werd doel op zich. Een zevende van de economie ging naar de draakadministratie (hetgeen overeenkomt met het gedeelte van het BNP dat de V.S. kwijt is aan gezondheidszorg). Beperking van schade werd zo’n groot focuspunt dat mensen de onderliggende oorzaak verwaarloosden. In plaats van een groot, met publieke gelden gefinancierd onderzoeksprogramma om het ouder worden te stoppen, geven we bijna het hele gezondheidsbudget uit aan gezondheidszorg en het onderzoeken van individuele ziekten.

(4) Het sociale goed kwam los te staan van het goed voor de mensen. De adviseurs van de koning waren bang voor mogelijke maatschappelijke problemen die zouden worden veroorzaakt door de drakendoders. Ze zeiden dat er geen maatschappelijk goed voort zou komen uit het doden van de draak. Sociale klassen bestaan echter voor het goed van de mens en over het algemeen is het goed voor de mens als er levens worden gered.

(5) Het gebrek aan een gevoel voor verhoudingen. Een tijger doodde een boer. Een plaag van ratelslangen teisterde een dorp. De koning versloeg de tijger en de ratelslangen en dient dus zijn volk. Maar hij zat fout omdat hij zijn prioriteiten verkeerd stelde.

(6) Prachtige zinnen met holle retoriek. De adviseur van moraliteit was welbespraakt en had het over de menselijke waardigheid en onze aard, in zinnen die bijna letterlijk overgenomen zijn van zijn eigentijdse gelijken.[3] Maar de retoriek was een rookgordijn dat de morele realiteit eerder verborgen hield dan onthulde. De onsamenhangende maar eerlijke getuigenis van de jongen wijst als contrast in de richting van het centrale feit van het geval: de draak is slecht, hij eet mensen. Dit is ook de basiswaarheid van beginnende ouderdom bij mensen.

(7) De urgentie niet kunnen inzien. Pas heel laat in het verhaal realiseerde men zich wat er te verliezen viel. Pas toen de koning in het bebloede gezicht van de jonge, smekende man keek, werd de omvang van de tragedie duidelijk. Het zoeken naar een behandeling voor het ouder worden is niet wat moois dat we ooit eens moeten doen. Het is een urgente, schreeuwende morele verplichting. Hoe sneller we beginnen met een gericht onderzoeksprogramma, des te sneller zien we resultaten. Het doet er toe als we het pas in 25 jaar kunnen genezen in plaats van 24 jaar: een bevolking groter dan die van Canada zou kunnen sterven als gevolg hiervan. In dit geval is tijd gelijk aan leven, tegen een snelheid van ongeveer 70 levens per minuut. Terwijl de meter zo snel loopt, moeten we geen tijd verdoen.

(8) ‘En in de komende tijd…denk ik dat we wat moeten reorganiseren!’ De koning en zijn volk zullen tegenover enkele grote uitdagingen komen te staan als zij klaar zijn met feestvieren. Hun samenleving was zo geconditioneerd en gedeformeerd door de aanwezigheid van de draak, dat er nu een gapend gat is ontstaan. Ze zullen creatief moeten zijn, zowel op individueel als op maatschappelijk niveau, om omstandigheden te ontwikkelen waardoor het leven dynamisch en betekenisvol wordt. Gelukkig kan de mens zich goed aanpassen. Een andere kwestie waar ze mee te maken zullen krijgen, is overbevolking. Misschien moeten mensen leren om later en minder kinderen te krijgen. Misschien vinden zij een manier om een grotere bevolking te onderhouden door effectievere technologie. Misschien ontwikkelen ze ruimteschepen en zullen ze andere planeten gaan koloniseren.

We laten de mensen uit de fabel nu alleen om met deze nieuwe uitdagingen aan de slag te gaan, terwijl wij proberen enige vooruitgang in ons eigen avontuur te maken.[4]


 Literatuur

[1] Caloriebeperking (een dieet met weinig calorieën maar veel voedingsstoffen) verlengt het leven en vertraagt de ontwikkeling van ziekten die verbonden zijn met ouderdom. Dit is aangetoond in alle onderzoeken. De eerste resultaten van een langdurig onderzoek bij resus- en doodshoofdaapjes laten vergelijkbare invloeden zien. Het lijkt waarschijnlijk dat caloriebeperking ook bij de mens werkt. Er zijn echter maar weinig mensen die bereid zijn zichzelf levenslang op een hongerdieet te zetten. Sommige onderzoekers doen onderzoek naar het nabootsen van caloriebeperking - bestanddelen die de wenselijke gevolgen van verminderde calorie-inname teweegbrengen zonder honger te hoeven leiden (zie bijv. Lane, M. et al. (1999), ‘Nutritional modulation of aging in nonhuman primates’, J. Nutr. Health & Aging, 3(2): 69-76.)

[2] Tijdens een stemming bij het 10de Congress of the International Association of Biomedical Gerontology werd duidelijk dat de meerderheid van de deelnemers het waarschijnlijk of ‘niet onwaarschijnlijk’ achten dat zichtbare functionele verjonging bij oudere muizen mogelijk zou zijn binnen 10-20 jaar (de Grey, A. (2004), ’Report of open discussion on the future of life extension research’, (Annals NY Acad. Sci., 1019, in press)). Zie ook bijv. de Grey, A., B. Ames, et al. (2002) ‘Time to talk SENS: critiquing the immutability of human aging’, Increasing Healthy Life Span: Conventional Measures and Slowing the Innate Aging Process: Ninth Congress of the International Association of Biomedical Gerontology, ed. D. Harman (Annals NY Acad. Sci. 959: 452-462); en Freitas Jr., R. A., Nanomedicine, Vol. 1 (Landes Bioscience: Georgetown, TX, 1999).

[3] Zie bijv. Kass, L. (2003) ‘Ageless Bodies, Happy Souls: Biotechnology and the Pursuit of Perfection’, The New Atlantis, 1.

[4] Ik ben de vele mensen dankbaar die eerdere versies van commentaar hebben voorzien, vooral Heather Bradshaw, Roger Crisp, Aubrey de Grey, Katrien Devolder, Joel Garreau, John Harris, Andrea Landfried, Toby Ord, Susan Rogers, Julian Savulescu, Ian Watson en Kip Werking.